AKHA | KAREN | LAHU | LISU | YAO | HMONG | STAMBOOM THAIS GEZIN

INTRODUKTIE ETNOLOGIE & BERGVOLKEREN

 

Akha/Ikoh

De Akha behoren tot de armste onder de bergvolkeren in Noord-Thailand en worden door de Thai Ikoh (Igor) genoemd. Ze zijn voornamelijk afkomstig uit Yunnan, en zijn verwant aan de Hani aldaar. Ze onderscheiden zich in vershillende subgroepen, waaronder de Yi of Lolo, een tak van de Tibeto-Birmaanse taalgroep. Ze hebben geen geschreven taal en zijn dus afhankelijk van een mondelinge overlevering van hun geschiedenis. Ze begonnen zo'n 100 jaar geleden te migreren naar Thailand, en zowel de U Lo als de Loimi komen oorspronkelijk uit Birma.

Ze leven meestal hoog in de bergen, waar ze zich bezig hielden met opiumteelt. Na een verbod hierop zijn de meesten met overheidshulp overgeschakeld op het kweken van andere gewassen. Van oorsprong zijn de Akha een animistisch volk. Hun religie, de Akha Weg genoemd, steunt voornamelijkop de verering van voorouders en allerlei geesten. Tegenwoordig hebben ongeveer een kwart van hen zich tot het Christendom bekeerd, wat aanzien wordt als een moderne versie van de Akha Weg, waardoor ernaast vaak nog animistische praktijken ...voor meer bestel onze CDrom...

Zo is er aan beide zijden van elk dorp (fig.) vaak nog een gewijde poort (fig.) waar een beschermgeest de toegang tot het dorp bewaakt. Men gelooft dat een dorp omgeven is door ontelbare geesten en de poort dient om het domein der bosgeesten van dat van de mensen te scheiden. Vóór de zaaitijd installeren de dorpelingen elk jaar nieuwe poorten die met amuletten, kostbaarheden en symbolen van rijkdom worden gesierd, want menselijke rijkdom is één van de zaken waarvan de geesten een afkeer zouden hebben. Vaak vindt men bij deze poorten ook simpele beeldjes van een copulerend paartje (fig.), eveneens bedoeld om de geesten af te schrikken. Typisch is ook hun nieuwjaarsfeest, dat men jaarlijks inluidt door al zingend te schommelen (fig.). De meeste dorpen hebben wel ergens een houten schommel staan (fig.), één van de herkenningstekenen van een Akha-dorp.

De mannen dragen hun traditionele klederdracht voornamelijk gedurende speciale festiviteiten (fig.), maar ook zonder zijn ze vaak herkenbaar aan hun typisch gelaatstrekken (fig.). Ze dragen vaak haarknotjes (fig.) en worden af en toe aangetroffen met bijzondere hoofdeksels (fig.). De klederdracht van de vrouwelijke Akha is waarschijnlijk de meest indrukwekkende onder alle bergstammen. Vooral het imposante hoofdtooi maakt hen bijzonder. Reeds vanaf jonge leeftijd krijgen de meisjes een kleurrijk kapje op het hoofd. Naarmate ze opgroeien worden aan de kegelvormige muts steeds meer ornamenten zoals zilveren munten, gekleurde pels, schelpen en kralen toegevoegd, totdat ze uiteindelijk na het ondergaan van een aantal belangrijke riten met het helmachtige hoofdtooi (fig.) voor volwassen vrouwen worden gekroond. Naargelang de groep waartoe zij behoren is deze muts verschillend. De Loimi Akha (fig.) hebben een muts met zilveren bollen en munten vooraan en een zilveren plaat aan de achterkant (fig.); de U Lo Akha (fig.) daarentegen dragen een muts met kleurrijk geverfde pelsen staartjes, en munten, terwijl sommigen slechts een hoofddoek dragen.

De kuiten van de vrouwen zijn gehuld in beenwindsels en vanaf de heup hangt een korte rok tot aan de knieën, vlak vooraan en met plooien aan de achterkant. Om hun middel dragen ze een brede kleurrijke sjerp waarvan het uiteinde vooraan de rok hangt. Een omslagdoek, soms aan één zijde met slechts één enkele band over een schouder opgehangen, bedekt de torso van boven de borst tot aan de navel. Hierop dragen ze een langmouwig jasje op heuplengte. Het blauwzwarte jasje, de puttees en de sjerp zijn evenals het hoofdtooi gedecoreerd met borduursel en applicatiewerk in een mengeling van ...voor meer bestel onze CDrom...

Karen/Nyang

De Karen behoren met zo'n 265.000 tot het grootste bergvolk van Thailand en verblijven er al vele eeuwen. Er zijn verschillende subgroepen, waarvan de meest talrijke in Thailand de Sakoh (Sgaw), Pwo en Kayah, naast de Kayang en Padong, beiden Langnek Karen, en de Kayaw, een kleinere subgroep waarvan de vrouwen gekenmerkt worden door lange oorlellen (fig.). Het woord 'Karen' is bij de verschillende subgroepen niet als dusdanig gekend en de Thais noemen hen Kariang en Nyang. De term wordt wel algemeen door antropologen gebruikt voor een aantal groepen die nauw aan elkaar verwante talen spreken, en die niet zo nauw verwant zijn aan de talen van andere bergvolkeren. Ze worden daarom als een aparte categorie in de Tibeto-Birmaanse familie van het Sino-Tibetaans geplaatst.

Prins Kawila wist een groot deel van hen te integreren in de lokale bevolking van Chiang Mai toen hij die stad herbevolkte. De meesten leven nu in Mae Hong Son en Chiang Mai, maar ze komen ook voor in Phrae, Chiang Rai, Lampang en Tak. In Birma leven er zo'n vier miljoen Karen. Een aanzienlijk deel van de Karen zijn christen of boeddhist en het eerste Karen-schrift werd in 1832 door een christelijke missionaris in Birma ontwikkeld. Karen-dorpen bevinden zich zelden hoog in de bergen en het zijn vaak bedreven mahouts van olifanten (fig.). Vaak zijn ze fysiek aantrekkelijk en vrolijk van karakter.

Hun traditionele klederdracht voor mannen en jongens is een donkerrood shirt met een v-hals en zonder mouwen (fig.). De vrouwen dragen een lange rode sarong waarvan het weefpatroon aangeeft tot welke klan ze behoren, en een purperrood shirt (fig.), gelijkend op dat van de mannen. Jonge meisjes en dragen een lang wit kleed (fig.) in een gelijkaardige vorm maar tot onder de knie en afgezet met een met een dunne roodroze boord die in het midden van de hals tot onderaan op de zoom loopt. De vrouwen van de Langnek Karen (fig.) dragen hiervan een kortrere versie. Het is gelijkaardig aan het traditionele kleed voor jonge meisjes bij andere Karen-groepen maar is korter en wordt gedragen op een zwarte sarong. Om de benen hebben de vrouwelijke Langnek Karen eveneens koperen ringen en blauwe beenwindsels. De meeste Karen-vrouwen dragen vaak een tulband-achtig hoofddoek en sierringen om hun armen en onderbenen. De Langnek-vrouwen dragen een eerder kleurrijk ...voor meer bestel onze CDrom...

Lahu/Mussur

De Lahu zijn een bergvolk waarvan de meesten zich voornamelijk in de noordelijke provincies Chiang Mai en Chiang Rai ophouden. Ze vestigden zich allicht 120 jaar geleden in Thailand, en zijn nu ongeveer 60.000 talrijk. De paalwoningen van de Lahu liggen meestal hoog in de bergen (fig.) waar zij zich eind vorige eeuw vanuit Birma vestigden. Ze delen zichzelf op in subgroepen, waarvan de naam gevormd wordt door de toevoeging van een kleur die ook de klederdracht bepaalt. Naast de Lahu Nyi (Rode Lahu), de Lahu Shi (Gele Lahu) en Lahu Hpu (Witte Lahu), bestaan er twee subgroepen Lahu Na (Zwarte Lahu), die zichzelf onderscheiden door een verschil in taal en tradities en waarvan de één zichzelf Laho Na noemt, bij anderen gekend als Lahu Shehleh.

De vrouwelijke klederdracht van de Lahu Shehleh of Lahu Na is een lange zwarte, zijde-achtige jas, afgezet met wit en mouwen in wit-blauw-rood (fig.). De mannen dragen een zwarte broekrok, soms afgezet met een blauwe broeksband. De Lahu Nyi-vrouwen dragen een kort jasje in vnl. rood en blauw, met mouwen in horizontale strepen (fig.). Elke subgroep heeft zijn eigen dialect maar wat behoort tot de Lolo-tak van de Tibeto-Birmaanse taalgroep, en waarvan de standaardtaal het Lahu Na is, dat ook door de meeste Lahu buiten Thailand (in Birma, Laos, Vietnam en China) wordt gesproken, en sterk verwant is aan de taal van de Lisu.

De Thaise benaming voor dit volk is Mussur (Moesseu), onderverdeeld in Mussur Daeng (Rood), Mussur Dam (Zwart - fig.) en Mussur Kwi, waarvan de betekenis onbekend is. Doordat vele Lahu bekeerlingen van het Christendom zijn, worden zij door de Thais ook wel Mussur Khrit (Christelijke Lahu) genoemd. Doch aandbidden zij daarnaast ook nog Ai-ma, de moeder-godin der aarde. NAAR LEXICON.

Lisu/Liso

De Lisu (Liso) waren voorheen een animistisch volk met een sjamanistische verering van de voorouders. Tegenwoordig zijn er zo'n 25.000 Lisu in Thailand, een groot aantal hiervan bekeerlingen tot het Christendom. Hun lichte huidskleur geeft hen de reputatie de mooisten onder de bergvolkeren te zijn. Tot voor kort leefden ze hoofdzakelijk van en door de papaverteelt, maar toen die onder druk van de Verenigde Staten werd verboden en met de opiumgewassen met financiële steun van de VS werden vernietigd, raakten vele, voornamelijk Lisu-dorpen, die van de eerder legale opiumteelt leefden, volledig geruïneerd. Sommigen gingen over op zwerflandbouw waarbij soms voor enkele gewassen enorme stukken bos worden vernietigd. Om een gelijke opbrengst te hebben als voordien met de teelt van opium, dient men echter veel meer grond te bewerken. In combinatie met de commerciële houtkap zorgt dit in het regenseizoen vaak voor heuse overstromingen, terwijl overproduktie en lage prijzen de markt kelderen.

Hun taal behoort tot de Yi- of Lolo-tak van de Tibeto-Birmaanse taalgroep, en zijn -waarschijnlijk- oorspronkelijk uit Tibet, maar de kern van de bevolking leeft nu voornamelijk in het Noorden van de Zuid-Chinese provincie Yunnan, ten westen van de Salween-rivier. Vanuit het 'Land onder de Wolk' verspreidden ze zich naar het westen, het zuiden en het oosten en kwamen rond het einde van de 19de eeuw via Chiang Mai gedeeltelijk ook in Thailand terecht.

De traditionele klederdracht van de vrouwen bestaat uit een losse, lichtgroene of lichtblauwe, schortachtige jurk die vooraan tot de knieën en achteraan tot de kuiten reikt. De brede mouwen zijn fel rood en komen niet verder dan de onderarmen. Bovenaan zijn ze bedekt met kleurrijke strips en rond de hals dragen ze een zwarte band die eveneens in felle, contrasterende kleuren uitloopt (fig.). Onder het kleed draagt men een brede, zwarte broek tot aan de knie en soms zijn hun kuiten met rode beenwindsels bedekt. Velen dragen ook een riem rond de heupen om het geheel wat op te houden.

De mannen dragen zwarte beenwindsels, een losse felblauwe broek tot net onder de knie, gelijkend op een broekrok (fig.), en een zwart jasje, meestal versierd met zilveren ornamenten. Evenals andere bergvolkeren spelen de Lisu hun traditionele muziek op instrumenten gemaakt van natuurlijke produkten, zoals bamboe ...voor meer bestel onze CDrom...

Yao/Iu Mien

Bergvolk in Noord-Thailand, dat eigenlijk (Iu) Mien heet, maar door de Chinezen en Thais genoemd wordt naar de taal die ze spreken, nl. Yao. In Yao betekent Mien 'mensen', maar in Laos en Vietnam worden ze Man genoemd, wat in het oud-Chinees 'barbaars' betekent, en eveneens kan slaan op andere groepen dan de Iu Mien. De Yao-taal behoort tot de familie van de Miao-Yao-Pateng, een subgroep van de Sino-Tibetaanse talengroep, waartoe eveneens taalgroepen zoals het Chinees, Birmees en Tibetaans behoren. Leden van de Iu Mien kunnen vaak Yunnan-Chinees spreken, de taal uit de meest zuidelijke provincie van China, of het erg verwante Mandarijns. Het kunnen lezen en schrijven van het Chinees heeft altijd hoog in aanzien gestaan bij de Iu Mien. De liturgische taal van de Iu Mien is een oude vorm van het Chinees, vergelijkbaar met Pali in het boeddhisme, en Chinese karakters worden eveneens gebruikt wanneer men Yao schrijft.

De Yao migreerden naar Thailand gedurende de 19de eeuw, aangemoedigd door de handel in opium, en de represailles van de Chinese overheid naar aanleiding van lokale opstanden die zich in die periode in het zuiden van China voordeden. Via Laos kwamen ze in de late 19de eeuw Thailand binnen, en vestigden zich in de provincie Nan, en in wat nu Phayao is. Grotere getalen kwamen na de Tweede Wereldoorlog, en vestigden zich voornamelijk in en rond Chiang Rai. Hun totaal aantal wordt vandaag rond de 40.000 geschat. Hun onderscheiden religie is een mengeling van animisme, voorouderverering en taoïsme.

De traditionele klederdracht van de vrouwen bestaat uit een losse broek met borduurwerk, en een donkerblauw tot zwart vestje dat onderaan kleurrijk geborduurd is en met een donkerrode, pomponachtige kraag, gelijkend op een stola. Als hoofdtooi draagt men een hoekige muts met versierend borduurwerk. Vaak heeft men een zilveren ring om de hals. Kinderen dragen soms een traditioneel mutsje met meerdere rode pompons (fig.). De mannelijke klederdracht bestaat uit een donkeblauwe tot zwarte losse broek en een gelijkkleurige losse vest met ...voor meer bestel onze CDrom...

Hmong/Maew

De Hmong zijn een bergvolk in Noord-Thailand met oorspronkelijke bakermat Tibet of Mongolië, en waarvan er heden nog ongeveer 5 miljoen in China wonen, waar ze zich zo'n 3 à 4.000 jaar geleden vestigden. Door de Thai Maew (Miao) genoemd. Hun religie is een mengeling van een geloof in demonen en geesten, met een verering van de geesten van voorouders, vermengd met taoïsme. Ze behoren tot de Sino-Tibetaanse taalgroep van de familie Miao-Yao-Pateng, met diverse dialecten en vestigden zich meer dan een eeuw geleden in Thailand via Laos. Vandaag zijn ze zo'n 90.000 talrijk, met de Blauwe Hmong meer in het Westen, en de Hmong Doew (Witte Hmong) meer in het Oosten van Noord-Thailand.

De Hmong zijn in vele opzichten vergelijkbaar met de Yao of Iu Mien. De Blauwe Hmong noemen zichzelf Hmong Njua, wat eigenlijk 'Groene' Hmong betekent. De vrouwen van de Blauwe Hmong dragen een zwart jasje van katoen, en zwarte beenwindsels onder een plooirok van gebatikte stof op knielengte. Hun zwarte vesten hebben een kleurrijk geborduurde kraag. Ze dragen hun haar in een knot.

Witte Hmong dragen een zwarte broek met een lange schort, voor en achter, die rond de heup met een rood-roze of oranje stoffen doek onder een zilveren riem wordt opgehouden. Ze dragen hun haar in een knot, of bedekken het hoofd met een geborduurd cilindervormig hoedje. Aan de achterkant van hun kraag zit een gekleurde, rechthoekige lap. De Hmong jongens en mannen dragen een kort zwart heupjasje met een dubbele sluiting, waarvan de buitenste gewoonlijk een grote, kleurrijk geborduurde ...voor meer bestel onze CDrom...