BOEDDHISME | THAIS BOEDDHISME | BOEDDHABEELDEN | TOTSACHAT

INTRODUKTIE OVER RELIGIE & MYTHOLOGIE

 

Siddhartha

De Shakya clangenoten verbleven aan de oevers van de Rohini-rivier die door de zuidelijk uitlopers van de Himalaya stroomt. Hun koning, Suddhodana Gautama, vestigde zijn hoofdstad in Kapilavastu waar hij een groot paleis liet bouwen. Hij regeerde met wijsheid waardoor hij respect en bijval van zijn onderdanen won. De koningin, Maya of Maha Maya (fig.), was de dochter van de oom van Suddhodana, die eveneens als koning heerste over een naburig district van dezelfde clan.

Gedurende twintig jaren hadden Maya en Suddhodana geen kinderen, maar op een nacht had Maya een eigenaardige droom, waarin een witte olifant via haar rechterzijde in haar baarmoeder binnendrong, en ze werd zwanger. Volgens de gangbare tradititie keerde Maya naar het huis van haar ouders terug om te bevallen en maakte onderweg een tussenstop in de tuin van Lumbini om te rusten. Ze was omgeven door Ashoka bloesems en toen ze naar een tak rijkte om een bloem te plukken, werd de prins geboren. Volgens de traditie gebeurde dit op de achtste dag van de maand april. Het kind werd ...voor meer bestel onze CDrom...

In het koninklijk paleis werd de vreugde echter snel verstoord door verdriet, want enkele dagen na de geboorte van de prins stierf Maya onverwacht. Haar jongere zuster Maha Prajapati werd de pleegmoeder van het kind en voedde hem op met liefde en zorg.

Een kluizenaar met de naam Asita, die in de bergen leefde niet ver vandaan, merkte een eigenaardige straling rond het paleis. Dit interpreterend als een goed voorteken ging hij naar het paleis waar hij het kind te zien kreeg. Hij erkende in het kind onmiddellijk een mahapurusha en voorspelde dat indien dit kind in het paleis zou opgroeien, het een groot koning zou worden die de hele wereld zou onderwerpen, maar indien hij het hofleven de rug zou toekeren om een religieus leven te leiden, hij een boeddha zou worden.

Andere teksten vertellen het verhaal van de reusi (fig.) Kalewin die hulde bracht aan de pasgeboren prins en waarbij de nieuwgeborene toen zijn eertse mirakel vertoonde door zich op de tulband van de wijsgeer te plaatsen (fig.). Op de vijfde dag na de geboorte nodigde koning Suddhodana acht brahmaanse priesters uit om de toekomst van de prins te voorspellen. Zeven van hen verkondigden dat hij de gunstige tekenen van een monarch of een boeddha bezat, naargelang hij een wereldse of religieuze carriere zou nasterven. De achtste brahmaan bevestigde dat indien hij het wereldse leven de rug toekeerde, hij de Verlichting zou bereiken.

Vooreerst was de koning erg tevreden met deze voorspelling, maar later begon hij zich zorgen te maken over de mogelijkheid dat zijn enige zoon en troonopvolger hem eventueel zou kunnen verlaten. Hierdoor zette de koning alles in het werk om de prins te behagen en trachtte hem in alle luxe binnen de paleismuren te verwennen. Op zevenjarige leeftijd startte de prins zijn opleiding in de koninklijke en militaire kunsten, maar zijn gedachten dreven steeds af naar andere zaken. Op een lentedag toen hij met zijn vader het paleis verliet zag hij een vogel die een worm meepikte uit aarde die net door een boer werd omgeploegd, waarop hij zich afvroeg waarom levende schepsels elkander moesten doden. De prins die zelf zijn moeder zo vroeg na zijn geboorte verloor was erg onder de indruk van de tragedie van zulke kleine schepsels. Deze gedachte ...voor meer bestel onze CDrom...

Ook de koning werd steeds bezorgder en regelde een huwelijk voor Siddhartha op negentienjarige leeftijd, met prinses Yashodhara, de dochter van Suprabuddha, de vorst van het Devadaha kasteel en een broer van wijlen koningin Maya. Toen Siddhartha een aantal proeven had ondergaan, waaronder het opheffen van een zware boog, won hij de hand van de prinses. Nadat hij op 29-jarige leeftijd bij haar een zoon verwekte, die hij Rahula noemde, besloot hij om definitief afscheid te nemen van zijn prinselijk bestaan en ontvluchtte het paleis in aanwezigheid van enkel zijn knecht Chandaka en zijn paard Kanthaka.

Verschillende duivels verleidden Siddhartha door hem aan te sporen terug te keren naar het paleis, terwijl ze hem de hele wereld beloofden, doch, hij weigerde. Vervolgens scheerde hij zich kaal en vertrok als bedelmonnik zuidwaarts. Eerst bezocht de prins de kluizenaar Bhagava, wiens ascetisme hij gadesloeg, en trok nadien verder naar Arada Kalapa en Udraka Ramaputra om hun meditatie-methoden te bestuderen, teneinde de Verlichting te bereiken. Toen hij daarin geen heil zag begaf hij zich naar het land van Magadha, waar hij op de oevers van de Nairanjana-rivier in het Uruvilva-bos, een ascetisch bestaan begon.

In alle ernst leidde hij gedurende zes jaren een ascetisch leven in aanwezigheid van vijf volgelingen, maar kon desondanks zijn doel niet bereiken. Hij besloot tenslotte ook deze weg op te geven. Toen hij, nog uitgemergeld van het ascetische vasten, een bad nam in de nabije rivier, ontving hij een kom met melk uit de hand van een dorpsmeisje met de naam Sujata. Verbaasd over dit feit, verlieten de panjawakkie hem, na hem aanvankelijk overal te hebben gevolgd.

Na te hebben rondgezworven als bedelmonnik, en een leven als asceet te hebben geleid, waarin hij evenmin heil vond, besloot hij verder te mediteren totdat hij de Verlichting zou bereiken. Dit geschiedde uiteindelijk na een zege over de verleidingen van Mara en zodoende werd Siddhartha op 35-jarige leeftijd een ware boeddha.

Boeddhisme

Het boeddhisme ontstond als filosofie in 543 VC in Noord-India en is gebaseerd op het leven van Siddharta Gautama, een Indische prins, wiens vader Suddhodana heerste over het koninkrijk van de Shakya's in het huidige Nepal. In de iconografie zijn de lange oorlellen van de Boeddha, uitgerekt door het dragen van zware gouden oorringen, een bewijs van zijn adellijke afkomst. Ze benadrukt voornamelijk het medelijden voor alle levende wezens, niet-gehechtheid, en verlossing van alle lijden door het bereiken van Verlichting die verkregen kan worden door het volgen van de Vier Edele Waarheden en het Achtvoudige Pad. Na de dood van de Boeddha ontstonden er geleidelijk twee voorname stromingen in het boeddhisme, namelijk Mahayana en Theravada of Hinayana. In Thailand belijdt ...voor meer bestel onze CDrom...

De legende vertelt dat Siddharta tijdens zijn meditatie onder de 'Boom der Wijsheid' voortdurend door afleidingsmaneuvers van Mara, de personificatie van het kwaad, geplaagd werd,  met de bedoeling hem uit zijn concentratie te halen en zo de ontdekking van de Vier Edele Waarheden te verhinderen. Siddharta, die zich voorgenomen had niet onder de bodhiboom (fig.) weg te gaan vooraleer hij het ware inzicht had bereikt, onderdrukte het kwaad door de aarde aan te raken en riep zo de natuur op om getuige te zijn van zijn vastberadenheid.

In de iconografie wordt deze gebeurtenis uitgebeeld door de rechterhand van de Boeddha op zijn knie te plaatsen, met de vingertoppen naar de aarde gericht terwijl de linkerhand in z'n schoot rust met de handpalm naar boven. Deze handpositie of moedra (fig.) heet bhumisparsa (fig.), wat letterlijk 'de aarde aanraken' betekent en symbool staat voor 'de onderwerping van het kwaad'. Dezelfde moedra wordt in Thailand ook wel Maravijaya (zege over Mara) genoemd. Siddharta bereikte na 49 dagen van extreme meditatie, op vijfendertigjarige leeftijd de Verlichting. Sindsdien staat hij bekend als de Boeddha of de Verlichte, Shakyamuni of Tatakot. Doordat dit gebeurde onder een vijgeboom op de oever van de Neranjara-rivier bij Bodh Gaya, werd de wetenschappelijke naam voor die boom ficus religiosa (fig.) of heilige vijgeboom.

Na zijn Verlichting trok de Boeddha naar Mrigadava in Varanasi, waar de panjawakkie verbleven. Na onderricht aan hen te hebben gegeven en een eerste maal zijn leer te hebben verkondigd, waarmee hij het Wiel der Wet in beweging zette, werden zij zijn eerste volgelingen. Nadien bekeerde hij zijn vriend, koning Bimbisara, en trok vervolgens 45 jaren al bedelend door het land om zijn leer te onderwijzen en de mensen te overtuigen van zijn levenswijze.

Op 80-jarige leeftijd, toen hij op weg was van Rajagriha naar Shravasti, werd de Boeddha ziek in een plaats Vaisali genaamd, en voorspelde hier zijn parinirvana of definitieve overgang naar het nirvana. Hij reisde nog verder tot Pava, waar hij ernstig ziek werd na het eten van voedsel dat geofferd werd door Chunda, een hoefsmid. Uiteindelijk bereikte hij het bos dat grenst aan Kusinagara, ondanks zwakheid en hevige pijn. Liggend tussen twee salabomen, onderwees de Boeddha zijn discipelen tot het laatste ogenblik.

Onder leiding van Ananda, de favoriete volgeling van de Boeddha, werd zijn lichaam gecremeerd. Zeven naburige heersers, alsook koning Ajatasatru, eisten dat de relikwieën onder hen zouden worden verdeeld. De inwoners van Kusinagara weigerden dit aanvankelijk, wat bijna tot een oorlog leidde. Door het advies en de tussenkomst van een wijze man, Drona genaamd, werd dit onheil vermeden en werden de relikwieën verdeeld tussen de acht landen. De as van de lijkstapel en de aarden pot met relikwieën werden eveneens weggeschonken aan twee andere heersers, en zodoende werden er tien torens gebouwd om de Boeddha te gedenken en zijn relikwieën ...voor meer bestel onze CDrom...

Thais Boeddhisme

Oorspronkelijk waren de Thai een animistisch volk maar tijdens de heerschappij van koning Ramkamhaeng (1279-1298) werd het uit India afkomstige Theravada boeddhisme, dat door Indische missionarissen en monniken uit Sri Lanka werd geïntroduceerd, als officiële staatsgodsdienst aangenomen. Doch was deze religie reeds eerder gekend, voornamelijk door de campagnes door de Indische keizer Ashoka, die reeds in de 3de eeuw boeddhistische missionarisen naar verscheidene delen van Azië en Zuidoost-Azië, stuurde. Het was echter steeds sterk vermengd met aspecten uit het brahmanisme en hindoeïsme, waaruit het voortkomt en dat reeds gekend was ten tijde van het machtige Khmer-rijk.

Het boeddhisme heeft zich gedurende de soms woelige hoofdstukken in de Thaise geschiedenis echter steeds goed weten te handhaven en nadat het in de Sukhothai-periode als staatsreligie werd aanvaard is momenteel zo'n 95% van de bevolking Therevada boeddhist, wat Thailand tot het grootste boeddhistische land ter wereld maakt. Therevada betekent 'onderricht van de ouderen' en tracht de Boeddha en zijn leer centraal te stellen zodat deze vorm, hoewel gedeeltelijk vermengd met andere religies, het nauwst verwant is met de oorspronkelijke leer.

In het Thaise boeddhisme kijkt de Sangha, een raad van toezicht bestaande uit oudere monniken, nauwlettend toe op de juiste overlevering van de oude Pali-teksten en de orde van monniken die zich dienen te onderwerpen aan de pahtimook, de 227 gedragsregels over de monastieke discipline zoals beschreven in de Vinaya Pitaka of Vinay Pidok. In de jaren zeventig ontstonden er wel enkele neo-boeddhistische stromingen en sekten zoals de Santi Asok(e) en de Dhammakaya, maar deze oogsten slechts een beperkte aanhang en de Santi Asok(e) werd door haar eigenzinnige interpretatie van de traditie zelf buiten de Sangha geplaatst.

Een animistische dimensie van het boeddhisme is het bijgeloof in amuletten (fig.) en talismannen. Dit bijgeloof is echter vaak aangewakkerd door obsessie, angst, syncretisme en commerciële aspecten. Aan sommige vereerde monniken, de Phra saksit, worden speciale spirituele krachten (saksit) toegeschreven en de door hen gezegende amuletten gelden als besherming tegen allerlei boze krachten en onheil. Officieel verbiedt de Sangha, de orde van monniken die toezicht houdt op de juiste overlevering van het boeddhisme, het uitdelen van amuletten omdat dit in strijd is met de boeddhistische leer die het overdragen van saksit op amuletten gelijk stelt aan het vertonen van transcendente vaardigheden. Vele monniken nemen het met dit verbod echter niet zo nauw en voldoen zo aan het bijgeloof van de massa en op de stoep nabij Wat Mahathat tegenover Sanam Luang in Bangkok, floreert een levendige handel in amuletten, meestal met kleine afbeeldingen van de Boeddha en van vooraanstaande, zeer vereerde monniken, de zogenaamde ...voor meer bestel onze CDrom...

Men vindt er ook talismannen, geluksbrengers. Populair bij sommige Thaise mannen is een uit hout gesneden fallus die aan een lange ketting of touw om hun middel wordt gedragen. Dit amulet, de pladkik, symboliseert de hindoeïstische god Shiwa (fig.) en moet ongeluk afstoten en geluk aantrekken. Shiwa is Sanskriet voor 'gelukkig'. Een verwantschap van Shiwa en het fallussymbool vindt men ook terug in de linga (fig.), in het Thais Siwaleung genoemd. Een wel door de Sangha toegelaten beschermingsmiddel is een dun wit koordje van katoen, een stukje door monniken gezegende draad, de sai sin (fig.), die beschermt tegen allerlei onheil. Het wordt meestal gedragen rond de pols maar doet ook dienst in veschillende riten, zoals crematies, bij huwelijken in de vorm van een mongkon, bij de mongkonlasoet, etc.

Een andere geloof in Thailand met wortels in het animisme zijn de vele kleine of grotere sahn phra phoem (fig.), geestenhuizen waar de beschermgeesten van het land wonen. Zodra men zijn intrek in een nieuwe woning heeft genomen worden deze vaak op miniatuurtempeltjes gelijkende maquettes op een verhoging voor de woning geplaatst zodat de phra phoem chao tie, de geesten die voorheen op het land woonden, er hun intrek kunnen nemen. Om hen gunstig te stemmen worden regelmatig offerandes gebracht zodat ze min of meer het uitzicht van een altaar krijgen. Soms plaatst men ook een jawed.

Boeddhabeelden

Boeddhabeelden zijn beelden of afbeeldingen van de historische Boeddha of Siddhartha Gautama ná zijn Verlichting. Om als geldig in aanmerking te komen is elk boeddahbeeld onderworpen aan strikte iconografische voorschriften, die elk een bepaalde betekenis hebben. Zo dienen ze de lakshana, de fysische kenmerken van een boeddha of een groot man te vertonen, met name de 32 belangrijkste merktekens zoals beschreven in de boeddhistische literatuur, en waardoor de voorbestemming van een boeddha vanaf zijn geboorte kan worden herkend. Deze tekenen omvatten onder meer een ushnisha (fig.), soms met een vlam (fig.), een lotusknop (fig.) of een stralenkrans (fig.), lange vingers, brede schouders, uitgerekte oorlellen, gekrulde haren, etc.

De traditie heeft hier later nog een aantal kenmerken aan toegevoegd, zoals een urna of boeddha-oog (fig.) en 108 tekens op de voetzolen (fig.). De positie van de handen, in het Sanskriet moedra's (fig.) genaamd, evenals bepaalde houdingen of iryapatha (fig.), worden gebruikt als verwijzing naar bepaalde episodes in het leven van de Boeddha. Verschillende interpretaties leidden tot kleine verschillen in de uitbeelding van sommige eigenschappen en duiden als dusdanig op een andere oorsprong, stijl of periode. Boeddahbeelden kunnen niet verhandeld (verkocht of gekocht) worden, zij worden letterlijk 'verhuurd' of 'gehuurd'.

Een bijkomend aspect van vele boeddhisten is dat men gelooft dat ieder boeddhabeeld een fractie van de energie van de Verlichte erft en die op haar beurt doorstraalt. Hoe meer beelden bij elkaar verzameld (fig.) of hoe groter het beeld, des te meer energie ze uitstralen. Hierdoor treft men soms immens grote beelden aan of een hele verzameling kleinere naast ...voor meer bestel onze CDrom...

Totsachat

In de Thaise traditie zijn de laatste tien incarnaties van de Boeddha het belangrijkst en worden Totsachat genoemd. Men vindt ze regelmatig afgebeeld in muurschilderingen en ze zijn onderdeel van de Jataka, een woord uit het Sanskriet-Pali, in het Thais gekend onder de term chadok, en die één van de in totaal 550 incarnaties voorstelt die elke ziel moet aannemen eer hij als boeddha kan worden geboren. Algemeen staat het voor de 547 levensverhalen van de Boeddha, maar in Birma werden er drie aan toegevoegd om redenen van symmetrie in muurschilderingen.

De jataka van Wetsandorn (Wessandon) of Vessantara is de laatste Totsachat en vertelt het verhaal van de Boeddha in zijn tiende en laatste incarnatie als bodhisattva, vóór zijn uiteindelijke incarnatie als Boeddha, en benadrukt de goede daad van het 'wegschenken'. Wetsandorn was de zoon van koning Sanjaya en koningin Pusati die regeerden over Sivi, en schonk reeds vanaf zeer jonge leeftijd graag dingen weg. Op zestienjarige leeftijd huwde hij met Maddi, en ze kregen een zoon, Jali genaamd en een dochter, Kanha. Op gegeven ogenblik schonk hij een heilige olifant die regen kon brengen, aan enkele brahmanen van een naburig koninkrijk (fig.), maar hierdoor onstond er een grote droogte in zijn eigen rijk. Hierop eisten de inwoners het ballingschap van de prins. De koning kon niet anders dan aan de eis van het volk toegeven en stuurde Wetsandorn en Maddi, vergezeld van hun kinderen in balling.

Ze verlieten het paleis in een koninklijke koets die zij op hun weg eveneens weggaven als geschenk aan een groep brahmanan (fig.). Zo arriveerden zij uiteindelijk te voet in het Himaphan-bos, waar ze een bestaan leefden als asceten. Niet veel later kwam er een brahmaan met de naam Jujaka naar hun ashram, die Jali en Kanha begeerde om hen als slaaf voor zijn vrouw te maken. Toen Maddi afwezig was om fruit te zoeken in het bos maakte Jujaka hiervan gebruik om zich bij Wetsandorn voor te stellen. Toen de kinderen de vraag van de brahmaan hoorden trachtten zij zich tussen de lotusbladeren van een nabije vijver te verstoppen, maar Wetsandorn diepbedroeft door het verhaal van Jujaka, riep hen terug en schonk hen aan de brahmaan. Hij veranderde echter plots van gedachte en zei dat hij eerder bereid was om hen uit te wisselen tegen een afkoopsomen en legde dit voor aan  koning Sanjaya. Uiteindelijk begaven de koning en koningin zich naar de kluizenaarshut in het bos en namen Wetsandorn en zijn familie mee huiswaarts om te regeren ...voor meer bestel onze CDrom...